HEINZ HOERENZN. PIETERZ. Part Deuks.
Vreest niet, onze Heinz lag inmiddels alweer een tijdje voor anker voor Texel, maar mijn trouwe schrijver Bienemans is inmiddels weer in de pen geklommen om er voor te zorgen dat onze favoriete plaaggeest van de VOC zijn reis naar Nieu Flevolant voort zal zetten. Natuurlijk ben ik weer paraat voor een setje illustraties, en inmiddels staan de eerste opzetjes voor de Pakjesboot van Sinterklaas en het Kofschip van Van Dale alweer op het digitale canvas. Publicatie volgt snel!
Onder "Lees verder" staat de ontvreemde inleiding van dit spannende tweede deel!
April 1621. Twaalf jaar na het tekenen van het Twaalfjarig Bestand loopt het Twaalfjarig Bestand af, maar dat is logisch.. Twaalf jaar lang was er niet meer gevochten tussen de Republiek der Zeven Provinciën en de troepen van de Spaanse koning Filips III. Maar vanaf de negende april van het jaar des Heren 1621 werd het staakt-het-vuren gestaakt, en kon het wild geraas weer beginnen.
In Spaanse havens als Sevilla, Bilbao en Almería-Haven klonk het ratelende geluid waarmee de ankers van de galjoenen langzaam werden gelicht. Terwijl de maan scheen door de bomen voer ook een bisschop in rood gewaad stilletjes noordwaarts, net als tientallen andere Spaanse oorlogsbodems. Koersend naar de grauwe, blauwgrijze wateren van Holland. Daar waar de rebelse ketters zich de afgelopen jaren de wereldhandel op zee hadden toegeëigend. Alsof de zeven wereldzeëen alleen aan de evenzoveel Provinciën toebehoorden.
Kon ook niet anders dat het juist een vermaledijde Hollander was; Hugo de Groot, die in zijn boek 'Mare Liberum' had durven te opperen dat de zee van iedereen was.
Half april van het jaar 1621 had ook een merkwaardig schip de Amsterdamse haven verlaten.
Geen oorlogsbodem, of een schip dat voer onder de vlag van de VOC. Neen, het was een schip genaamd 'd'Enter ende Lete', van kapitein Hein Pietersz. Deze galgebrok van nog geen twintig jaar oud was samen met twaalf schelmen, schavuiten en ander “tuyg van laeg allooy” de Zuiderzee opgevaren, met als einddoel een geheimzinnig schateiland in de Oost; Nieu-Flevolandt, duizenden zeemijlen verderop.
Twee maanden na het vertrek van het schip had de scheepsuitkijk, de rijmende neger 50-Floryn, vanuit het kraaienest alreeds melding gedaan van een geheimzinnig eiland dat aan de horizon opdoemde.
Maar dat was Texel.
Na het innemen van vers water aldaar werd in juni vol goede moed de reis vervolgd. Zuidwaarts. Richting het gevreesde kapersnest Duinkerke.
In Spaanse havens als Sevilla, Bilbao en Almería-Haven klonk het ratelende geluid waarmee de ankers van de galjoenen langzaam werden gelicht. Terwijl de maan scheen door de bomen voer ook een bisschop in rood gewaad stilletjes noordwaarts, net als tientallen andere Spaanse oorlogsbodems. Koersend naar de grauwe, blauwgrijze wateren van Holland. Daar waar de rebelse ketters zich de afgelopen jaren de wereldhandel op zee hadden toegeëigend. Alsof de zeven wereldzeëen alleen aan de evenzoveel Provinciën toebehoorden.
Kon ook niet anders dat het juist een vermaledijde Hollander was; Hugo de Groot, die in zijn boek 'Mare Liberum' had durven te opperen dat de zee van iedereen was.
Half april van het jaar 1621 had ook een merkwaardig schip de Amsterdamse haven verlaten.
Geen oorlogsbodem, of een schip dat voer onder de vlag van de VOC. Neen, het was een schip genaamd 'd'Enter ende Lete', van kapitein Hein Pietersz. Deze galgebrok van nog geen twintig jaar oud was samen met twaalf schelmen, schavuiten en ander “tuyg van laeg allooy” de Zuiderzee opgevaren, met als einddoel een geheimzinnig schateiland in de Oost; Nieu-Flevolandt, duizenden zeemijlen verderop.
Twee maanden na het vertrek van het schip had de scheepsuitkijk, de rijmende neger 50-Floryn, vanuit het kraaienest alreeds melding gedaan van een geheimzinnig eiland dat aan de horizon opdoemde.
Maar dat was Texel.
Na het innemen van vers water aldaar werd in juni vol goede moed de reis vervolgd. Zuidwaarts. Richting het gevreesde kapersnest Duinkerke.
